04 oktober 2006

Probatio pennae

En dat ik er geen idee van had, hoe moeilijk het is om op correcte wijze de triangel te bespelen. Ik beken, maar het lijkt me toch een uitgelezen kans om de perfecte slagtechniek te verwerven. Toch was het altijd al grappig om de percussionist achteraan rechts van het orkest in de gaten te houden, wachtend op een stoeltje, de maten aftellend tot die ene te geven triangelslag in een muziekstuk van om en bij het kwartier.

Een pot ravioli is ook geen rechtspersoon, beste Hugo. En hoewel ik daags tevoren de houten plankenvloer volledig uitgebroken had, kon ik het nog steeds niet vinden met mezelf.

Tuc-koekjes. Of hoeveel er in één keer in mijn mond zouden passen. Het bleken er vijf te zijn. En of het smaakte!

10 september 2006

September Jazz

Peter Hertmans Quartet feat. Billy Hart

Philip Catherine Trio

Give Me Some More...

05 juli 2006

Surplusextractie

Ledigheid. Het is me wat. Ik staarde exact zeven minuten naar de opspattende regen en besefte dan pas dat het nog weken dergelijk weer kon blijven. Wat zeg ik? Maanden! Mensen denken altijd dat ze mooi weer verdienen. Het enige wat de mensen die ik ken verdienen, is weer als dit. Gutsende regen. Met bakken. Oude wijven. Iets met pijpen en stelen. Mijn bank stuurde mij gisteren een nieuwe bankkaart toe. Dat mag. Ik krijg namelijk gaarne post en al zeker van financiële instellingen. Tijdens het zoeken naar wat ondertussen mijn oude bankkaart geworden was, stootte ik een mijner mondstukken omver. De oude kaart had ik pas sinds begin vorig jaar, nadat de vorige ongevraagd ingeslikt werd aan de automaat aan de Kouter. Els stond erbij en keek ernaar. Maar goed, m’n andere bankkaart is nog geenszins versleten, sturen ze me, ongevraagd – neem keer nota - een nieuwe op. Fantastisch toch.
De dag daarvoor was ik Martine Tanghe nog tegen gekomen. Ze knikte me toe toen ik haar kruiste. Ik betaalde gepast en knikte met afgewende blik even terug. Er hingen wat spinnenwebben in de zijdelingse gewelven die als regenbogen de ruimte, waar ik me thans in bevond, afbakende. Ik nam nog ’n glas en vroeg me af wanneer bladgroenkorrels er uiteindelijk de brui aan geven. Garantiebewijzen, nog zo’n fenomeen. Er kwam een corpulent heerschap voor me staan. Het leek alsof hij een gesprek aanknopen wou of me op z’n minst wat vragen wou. Zwijgen was echter wat hij deed, die gekke man. Hem monsterend viel mijn oog op zijn open gulp. Uiteindelijk vroeg hij me met een diepe stentorstem wat ik het aantrekkelijkste aan hem vond: zijn pluizige baard of zijn open gulp? Beschaamd vroeg ik wat bedenktijd en liet me ondertussen het glas nogmaals bijvullen. De ober, die zich van die taak kweet, kwam aangereden in een vorkheftruck. Het witte hemd met zwart strikje manoeuvreerde achteruit en trok geruisloos op richting bar. Schuurpapier zou hier deze keer geen uitkomst bieden, besefte ik terwijl ik de eerste zweetdruppels aan mijn voorhoofd voelde bengelen. Ik excuseerde me en mankte naar het toilet. Terwijl ik de vrije loop gaf aan menig natuurlijke behoefte, zocht ik in ’n lijvig woordenboek wat willekeurige woorden op. In de spiegel turend, waste ik de handen en vroeg me af sinds wanneer ik mankte. Zeven minuten? Dagen? Maanden? Ik kon geen plausibel antwoord bedenken en staakte bij gevolg het reflecteren daaromtrent.
De in tussentijd aangekomen politieagenten konden daar alles behalve om lachen. Niet alleen bleken mijn reflectoren niet conform het huisreglement, bovendien was de bandenspanning van mijn rolstoel onvoldoende. De enkele zweetdruppels werden een zee aan zweet terwijl ik de agent in kwestie beschaamd aankeek. De knuppel wendde echter de blik af, want net op dat moment begon men de wedstrijd van die avond op groot scherm uit te zenden. Een kat had het toestel met een kleine grijze afstandsbediening in werking gesteld. Ik zuchtte diep, haalde de veiligheidsgordel van mijn rolstoel wat harder aan en beloofde nooit nog kittens in transparante plastic zakjes te verdrinken.

28 februari 2006

Poseur naast Mathilde

à sortie met mijn omgeving heb ik geen oor voor het geweek- laag en het geroep om vergeving al verloopt de ont- binding nog zo gestaag

Vermoedelijk hing hij er al dagen, maar het lichaam werd pas weggehaald nadat kraaien zijn lever uitgepikt hadden en de in het omliggende wonende boeren last begonnen te krijgen van de ontbindingslucht. Een weeë zwavelgeur waaide passanten vanop geruime afstand reeds tegemoet vanaf de heuvel alwaar de communale galg opgesteld stond. Wie er onwetend voorbij kwam, werd zich, bij het gewaar worden van de lucht, zo zelfbewust van de eigen ingewanden en darmflora, dat het leek alsof het buikvlies, dat in de meest gunstige omstandigheden het spijsverteringskanaal binnenhoudt, langzaam zou openscheuren en de volledige darmhuishouding onder ’s mens ogen het eigen lichaam zou verlaten, zoals dat gebeurt bij het oude varken dat op maandag gekeeld wordt en in één lange, vliegensvlugge haal van hals tot reet met het goed gewette slagersmes overlangs opengereten wordt. Wie van de stank echter geen last scheen te hebben en de aanblik van de terechtgestelde zelfs een kalmerend relaxerend effect toekende – en zich dus geenszins kon inleven in de heisa en poeha die menigeen rond het fenomeen (en meer specifiek het olfactorische facet daarvan) maakte – was J. J. was – hoewel hij er zelf geen deel van uitmaakte, of althans geen deel van wenste uit te maken – goed gekend bij de leden van de plaatstelijke gemeenschap, evenals zijn immer afwijkende opvattingen over de meest voor de hand liggende ende algemeen aanvaarde fenomenen. Er viel dan ook moeilijk om hem heen te kijken wanneer hij op de lokale markt zijn inkopen deed of men hem op zijn shetlandpony kruiste op deze of gene stoffige wegel. Immer herkenbaar en immer in dezelfde outfit, liep J. gekleed in een grijze corduroy broek uit ruwe stof vervaardigd. Deze was ietwat te ruim, edoch werd fatsoenlijk op zijn plaats gehouden door een paar bretellen zoals niemand, behalve J., ze in die tijd nog droeg. Die broek, alsof hij er maar één had - wat zeer waarschijnlijk leek - was steeds tot net onder het middenrif opgetrokken. Voorts bedekte een rood wollen truitje met dikke ivoren knopen zijn grauwe hemdje met wijd uitwaaierende kraag. De tijd had in het gezicht van de ouwelijke J. een maanlandschap geërodeerd, waarbij zijn drietal resterende tanden in zijn eeuwige grijns, die zijn vlezige tong steeds een weinig zichtbaar liet, uitstekend tot hun recht kwamen. Als een zonnevlek prijkte er een zwarte driehoekige ooglap bovenop zijn linkeroog. Een ongeluk met een elektrische tandenborstel, wisten sommigen, gespeelde aanstellerij, meenden anderen. Een helrode hoofddoek met grillige bleekgroene motiefjes en een enorme gouden oorring in het rechteroor maakten het plaatje compleet. Neen, J. stond niet op de eerste rij toen de sCHEPPER het modebewustzijn uitdeelde. Ten bewijze daarvan hoefde men, tot slot, maar naar zijn grijze, pluizige sloffen te kijken. Met zijn sloffen slofte J. dagelijks naar het centrum en terug naar zijn domein. Het woord sloffen leek wel voor J. uitgevonden, zo bleek. Zoals J. waren er in het dorp geen twee. En ook niet in de omliggende dorpen, zo wisten agricultariërs die op gezette tijdstippen hun overschotten aan graan en niet meer zó verse groenten in naburige gemeenschappen gingen verkopen, te vertellen, wanneer zij daar althans naar gevraagd werden. Want veel werd er – behalve het hoogst noodzakelijke – niet gesproken in dit kleine desolate dorp. Op zon- en andere feestdagen kon men J. reeds van ver onderscheiden van het groene loof en lommer daar hij op deze dagen gewoonlijk uit wandelen ging met een viertal ballonnen van diverse kleuren die hij aan sierlijke witte linten in de hand placht te houden. Dichterbij gekomen kon je eveneens een assortiment vrolijk krullende slingers in paars- en blauwtinten om zijn nek ontwaren.

Op een dag – een dag als een ander zou men kunnen schrijven, edoch... – daalde J. de heuvel schuin af op weg naar de wekelijkse marktdag. De ranzige geur van gebraden kippen waaide hem reeds met de zwoele zuidwester tegemoet. Een eventuele ooggetuige had nog net J.’s pretoogjes in de eerste zomerzon kunnen ontwaren, waarop plotsklaps, als in een kaleidoskoopje, de shetland door de knieën ging en begon te tollen. Ze leken wel elastische poppen die de laatste vijftig meter van de best wel steile helling naar beneden dartelden. Doch even dartel als het duo scheen te glijden, des te dood waren onze twee vrienden toen enkele dorpelingen te hulp snelden, doch alzo de feiten achterna liepen. De kop van de pony lag onder zijn eigen lijf, vanwaaronder het bovenlijf van J. vandaan kwam, de nek zich in een uiterst ongemakkelijke positie bevindend. J. was dood. Men liet hem liggen. De pony was dood. Men at hem op. En dat was dan weer dat. Het was reeds enkele dagen daarna – de overmoedige zomerzon verdreven door al even zomerse neerslag – dat de eerste aasvogels zich waagden aan het door de regen opgezwollen, blauwige, gistende lijk van J. Opnieuw kwam de markt, opnieuw hingen de kippen plichtsbewust aan hun spitten, maar geen van de passanten scheen zich te storen aan het heerlijk meurende en naar willekeur opengepikte lijk van J.

schläft nicht schlummert nicht

14 februari 2006

L I E F D E

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem. Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op. Hun schedels glimmen als een diadeem. Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop. Zijn pink verdwijnt in een abces van bloed. Ze kronkelt. Uit haar mond springt slijm. Een blaas Ontploft. Zijn krop wordt blauwer. Hij vat moed. Hij rolt haar op haar rug. Hij is de baas. Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer. Het is een machtig knarsen. Het gesop Van kwijl in etter kent geen einde meer. Zij kotst. Gods wonder in een notedop. - Gerrit Komrij (1944)

13 februari 2006

Blue Valentines

She sends me blue Valentines All the way from Philadelphia To mark the anniversary Of someone that I used to be And it feels just like there's A warrant out for my arrest Baby you got me checkin in my rearview mirror That's why I’m always on the run That's why I changed my name And I didn’t think you’d ever find me here To send me blue Valentines Like half forgotten dreams Like a pebble in my shoe As I walk these streets And the ghost of your memory Is the thistle in the kiss And the burgler that can break a roses neck It’s the tatooed broken promise That I hide beneath my sleeve And I see you every time I turn my back She sends me blue Valentines Though I try to remain at large They’re insisting that our love Must have a eulogy Why do I save all of this madness In the nightstand drawer There to haunt upon my shoulders Baby I know I’d be luckier to walk around everywhere I go With a blind and broken heart That sleeps beneath my lapel Instead these blue Valentines To remind me of my cardinal sin I can never wash the guilt Or get these bloodstains off my hands And it takes a whole lot of whiskey To take this nightmares go away And I cut my bleedin heart out every night And I die a little more on each St. Valentines day Don't you remember I promised I would Write you... These blue Valentines Blue Valentines Blue Valentines (Mister Tom Waits)

11 februari 2006

snippers

schedelboring net voor mijn laatste schedelboring dacht ik er net aan dat iemand me nog wat moest maar ik wist niet meer wie of wat laat staan wanneer of waarvoor waarom terwijl ze het me nog net gezegd hadden Goed, ik deed dus mee aan de wiskunde-olympiade. En de avond daarvoor had ik een halfuur lang met schuurpapier mijn voorhoofd glad gemaakt. Zo glad, dat er hier en daar al stukjes schedel naar buiten piepten. Stukjes schedel, die in het prille winterzonnetje een tegenligger zo konden verblinden. Men mocht er eenvoudigweg niet aan denken wat daar de gevolgen van hadden kunnen zijn. Ziek dat ik was, kort daarna. Mijn gewrichten voelden zo lam en stijf aan, en overal een wee gevoel van vage pijn. Of ook net niet. Het was een beetje zo’n zoeken naar, naar, eh. In elk geval, het ontbijt bestond die dag uit een pijnstiller. Dat kreeg een vervolgje met twee Duvels in het stationsbuffet. En dat ik daar niet de enige was. Ha neen gij. En dan naar Marnix en Patrick! Dat ik moest betalen. Tien euro. Omdat ik daar een jaar niet geweest was. En of ik nog studeerde. Ha ja. En of hij mijn punten wou weten. Ha neen. Ha, ik zat dus met een halfvolle pot choco aan het standbeeld van Artevelde. Of was het Albert I. Ik wil er vanaf zijn. Passeert mijn grootvader daar wel niet! Die zich natuurlijk afvragen waarom ik daar zit, met een halfvolle pot choco. En dat hij zich dat niet in stilte afvroeg, ha nee, zo zijn wij niet. Het volle pond/pont/pondt kreeg ik. Goed, ik wou best nog van hem aannemen dat een pot choco geen rechtspersoon is. Maar verder wou ik toch niet met hem meegaan, te weten dat de arme oude man al vijf maanden zijn rijbewijs ingediend heeft. En dat zijn schoorsteen al vijf jaar niet meer uitgekuist geweest geworden is. Vijf! Ja. Next thing you know, zit ik op de fiets. Waar gaat dat tochtje heen? He, richting Venetië! Venetië? Ja, Venetië, het Brugge van het, dinges. Daar fiets je toch ook niet op ’n dagje heen. Wel, dat had je gedacht. Het is hoogstens driekwartier peddelen. Een halfuurtje als de wind wat meezit. En hop, daar blinken reeds de wateren en stoomt de vaporetto om mij en m’n fiets naar de zinkende stad over te zetten. Kom nu. En gisterennacht nog! Het hield niet op! Een goed halfuur flink doorrijden met de wagen, en we stonden in Hongarije. Waar precies, dat herinner ik me niet meer, maar op ’n halfuur, komaan nu! Goh. En er was ’n zwembad en daar was wat mis mee. Oog-, keel- en neusklanken. Dat dat niet gemakkelijk is. Veel op oefenen, is de boodschap. En dan nog! Ge hebt zo van die Tibetaanse monniken of van die boeddhistische, of beide! en die kunnen dat zo heel erg goed. Maar dat mag ook wel, als ge u daar ganse dagen kunt op toe leggen, om te oefenen. Ganse dagen, dus, dan mag je het ook wel goed kunnen. Anders ware het maar triestig. Allez ja, dat vind ik dan. Heb ik nu ’n mening? En he, ge moest daar in feite twintig euro betalen. Maar, euh, ze vroegen mij niets. Dan betaal ik toch niet, toch? Tot slot (he, signaalwoorden!): Franco Saint De Bakker, maar goed dat dat is, maar goed. Ik kan het maar zeggen, he. N’est-ce pas?

02 februari 2006

Élégie pour Michel

Wijselijk irritant irrigeer ik mezelf met meest vruchtbaar slib de sjadoef als vagant des waterens wip terwijl cat aract na cat-a-ract mijn zicht mijn viewpoint gezicht point of view almaar slabakt

Illustration Courtesy Pieter De Reu (c)

Typologie van den academischen ladder

Leidraad voor ambiesjeuzen
  • drs. Pitta
  • dr. Pitta
  • prof. dr. Pitta
  • prof. em. Pitta
  • I.M. Pitta

04 januari 2006

ik hep mezelf

ik heb mezelf in slaap gewiegd met trommels en trompetten mezelf steeds weer wat voorgeliegd wat kon mij ook beletten de straat, de regen, bijzettafels ze spookten door haar hoofd bakpapier en suikerwafels had ‘k haar maar niets beloofd

28 december 2005

Waarom mijn wekker vanmorgen niet afliep

U hebt 1 nieuw(e) bericht(en)
Wat vooraf ging...
Soms denk ik dat het allemaal goed is zo. Dat het kan, en bovenal mag. Maar niets is minder waar, daar wij in de spiegel die het leven zelf ons voorhoudt slechts de reflectie zien van ofwel wie we ooit waren ofwel wie we ooit zouden willen zijn. Spiegels der frustratie pleegt men ze te noemen. Maar ze komen niet voor in de badkamer van de narcist. O nee, maak u daar vooral geen zorgen over en bovenal geen illusies in (contaminatieel gezien kan het, sprak de linguist, de taalpurist brauwde de wenkfronsen).
Maar laat ons niet op de zaken vooruit lopen en het gebeuren weergeven zoals het zich ontspon en in die januskop van mij zal blijven ontspinnen telkens ik nog maar terug zal denken aan het waterzonnetje aan de einder, die dag, die ochtend, of aan de langzaam doordruppelende koffie. Een traag meditatief proces waarbij de tijd gemengd met gemalen koffiebonen, zorgvuldig door een multinational geselecteerd, mijn rode thermos indruppelt. (De groene was tijdelijk niet beschikbaar, doch dit alles tussen haakjes.) Naar het schijnt… maar dat zou ons al te ver van onze zaak, ons verhaal brengen. Ja, u leest het goed, ‘ons’ verhaal, want door deze letters op te slorpen, ontketent u ze wederom, laat ze weer tot leven komen en beleeft u, o vermetele, alles hernieuw – net zoals ik alles opnieuw dien te beleven telkens een van u dit alfabijt –wanneer u deze syllaben van het blad (lees: scherm) plukt. Wel dan. Het was die bewuste zaterdagmorgen. Een vlinder steeg op vanuit mijn buik net voor ik wakker werd. Toen ik mijn ogen voorzichtig opende en de resten der nacht er handmatig uit verwijderde, zag ik de ex-rups nerveus tegen het plafond tekeer gaan. Het tweeloopsjachtgeweer dat ik daags te voren in huis gehaald had, ten einde dat veilige gevoel de ganse maand door te vrijwaren, kon me best wel ‘es van pas komen. *wazig beeld*
“Als ik hier een rekening open,” vroeg ik daags tevoren aan de man achter het loket, “waaruit bestaat dan de tegemoetkoming uwentwegen?” Met de laatste nieuwe en al te blitse folder erbij maakte de loketman me duidelijk dat ik de keuze had tussen een moderne, ruime sporttas en een tweeloopsjachtgeweer. Mezelf erop attent makende dat mijn laatste sportactiviteit dateerde uit 1926 (zijnde het Provinciaal Kampioenschap Dwergwerpen voor Beloften alwaar ik een strategospel in de wacht sleepte) kon ik algauw beslissen dewelke mijn keuze zou worden. Vijf minuten later was een dubbelloopsjachtgeweer mijn deel. Buiten komend uit het kapitalistische hoofdkwartier, stapte ik doelbewust een hip ogende sportwinkel binnen en kocht er een moderne, ruime sporttas om het schietgereedschap in op te bergen. Want zo kom je de straat toch niet op vraagteken Tien minuten hierna liep ik wederom over straat. En terwijl ik eigenlijk blij ende tevreden, ja zelfs euforisch, had moeten zijn (want ik had nu alles wat ik altijd al wou hebben) bekroop mij langzaam maar zeker een gevoel van onbehagen. Daar was het weer kreunde ik zachtjesterwijlmensenmeaankekenmaardatmerkteiktoenevenniet Vervolgens liep ik de eerste de beste banketbakkerij binnen, kocht mij een tiental crèmekoeken, schrokte die allemaal achtereenvolgens op, gezeten op een krakkemikkig bankje op een van nutteloze toeristen vergeven plein, clearde het hoofd en trok met mijn vrije hand een blikje multinational open. De inhoud, id est 33 cl, jawel, ledigde ik in één teug. Ja, ik was best trots op mezelf op dat moment. Want. Kijk. Een witregel. Het zit zo. Jij zit daar. Ginder. Laat ons zeggen, ginds. En ik zit hier. En dat is geeneens zo erg. Er zijn onoverkoombaardere problemen, jawel, daar ben ik me ter dege van bewust. Maar luister, nee, luister gewoon ‘es even. Haar man, haar man had zich het leven ontnomen. Zo is het. Iedereen weet het, niemand spreekt erover. Het zij zo. Edoch verwacht niet dat ik me aan ongeschreven wetten hou. Haar man, die sinds drie maanden in voorhechtenis zat, werd die ochtend, terwijl een waterzonnetje aan de einder opkwam, in zijn cel in Blok B van de linkervleugel van de staatsgevangenis, levenloos teruggevonden. Een oude defecte FM-radio bungelde aan het snoer uit zijn aars. De typische Patrick Haemers-truc. Bij het zien van de foto’s genomen door de gerechtelijke politie, die toevallig op internet terecht gekomen waren (jazeker, het lekt waar het niet lekken kan), kreeg de weduwe een inzinking. Sindsdien wordt ze ter meerdere bescherming van zichzelf en de maatschappij in de kamer naast de mijne vastgehouden.

14 december 2005

Oh Lethes!

De dag dat Siriswald zichzelf in brand stak, was beslist geen dag als alle andere. Vooreerst was er het voorval op de bus, waarbij hij zijn plaats afstond aan een aftands dametje van derde leeftijd, dat dankbaar ging zitten, maar bij het volgende kruispunt voor Siriswalds ogen doorboord werd door de carrosserie- en glasconstructie van de lijnbus toen een op hol geslagen betonmolen de flank dezer bus gezwind ramde. Daarnaast was er nog het niet te negeren feit dat Siriswald wat later, na een noodzakelijk bezoek aan de plaatselijke slager, bij het buitenkomen een lieveheersbeestje onder z’n schoen vermorzelde en dit terwijl hij oprecht van deze beestjes hield. Dit, en tal van andere voorvallen, waarvan het beschrijven ons al te ver zou leiden, deden Siriswald uiteindelijk inzien dat hij niet voor dit leven geschikt was.

Maar wie is die man die men Siriswald pleegt te noemen?

Deze schijnbaar kwieke en vitalistische veertiger betrok altijd al een flatje in het centrum van de oude stad. Daar verbleef hij ook het grootste deel van de tijd, en tijd had hij genoeg, werkloos zijnde. Menselijk contact had Siriswald allerminst nodig. Op maandag zou hij bakker en slager bezoeken om inkopen te doen voor de rest van de week. Veel meer dan een schuchtere oogopslag kregen diegenen die toevalligerwijs zijn pad kruisten niet te zien. Spreken deed hij al helemaal niet. Sommigen dachten dat hij het niet kon, anderen dachten dat hij gestoord was, de meesten daarentegen wisten niet eens van het bestaan van Siriswald af. Zijn buren - links, rechts, boven, onder - kregen hem nooit te zien en zijn huisbazin vroeg zich herhaaldelijk af of haar stilste huurder er nog wel verbleef. Nochtans was de huur reeds maanden op voorhand betaald. Maar zoals ik twee zinnen terug nog maar kwam te schrijven: de meeste stedelingen wisten van het bestaan Siriswalds nix af. En daar voelde onze protagonist zich ook goed bij. Hij wenste enkel rust en planmatige orde. Mensen had Siriswald dus al evenmin nodig. In zijn flat van zes op zeven had de man alles bij handen. Vooral dan muziek. En keukengerei, van inox. Waar hij zich echter voornamelijk mee bezig hield, was slapen, want dat waren de enige momenten dat hij even uit de wereld kon verdwijnen. Slapen dus. Dat was voor hem zijn enige uitweg.

Voorheen frequenteerde hij op vrijdag het parkje enkele straten van zijn woonst vandaan gelegen. De weinige bomen en schrale bloemen brachten hem een zekere rust (Manfred noemde het lethargie) die hem in staat stelde nog een week in vrede met zichzelf te leven. Maar sinds kort kon hij zich ook hier niet meer vertonen. Na schooltijd hing de plaatselijke jeugd er immers rond en die zagen in de aartslelijke Siriswald een ideale katalysator om hun opgekropte frustraties van een ganse week lessen af te reageren. Siriswald had het op hun schuine opmerkingen niet zo begrepen en toen de plagerijen zich ook fysiek begonnen te uiten - ach, u kent de jeugd - besloot hij dat het beter ware zich er niet meer te vertonen. Hij kon natuurlijk makkelijk op een ander tijdstip komen, waarop zijn belagers in de schoolbanken zaten. Iets waar hij, werkloos zijnde, alle mogelijkheid toe had, maar zo makkelijk zat het leven voor Siriswald niet in elkaar.

12 december 2005

11 december 2005

De man die zijn hoofd vergat

De glazen zijn beduimeld en de randen vet. Slappe wieken van kaarsen koorddansen hun laatste adem in een restje was. Het wordt vierhandig kouder en niets voelt als flanel. Nacht en ontij. Tijdig verzocht, op tijd gezien en dies meer. Dat alles terwijl zitmeubels de straten op vliegen. Terecht. Of niet soms? Een baardige man met glazige oogjes diep in de schedel getrokken denkt er anders over. Zijn clownstruitje spant wat en zijn borstjes wippen op en neer hoe meer hij zich druk maakt. Druk in het feit dat, ondanks alle plichtplegingen, altijd alles uitloopt. Uitloopt.
Hangt je sjaal al klaar? Check. De jenever in vaalbruin pakpapier geborgen? Check. Gietijzeren mandjes met kolen die dra zullen smeulen wat enkel het gezelligheidsgehalte dezer avond zal doen toenemen? Check.Toeters en bellen? Check. Ons aller waardigheid? Crap.

03 september 2004

ja, ik zeg soms maar wat

Soms denk ik dat het allemaal goed is zo. Dat het kan, en bovenal mag. Maar niets is minder waar, daar wij in de spiegel die het leven zelf ons voorhoudt slechts de reflectie zien van ofwel wie we ooit waren ofwel wie we ooit zouden willen zijn. Spiegels der frustratie pleegt men ze te noemen. Maar ze komen niet voor in de badkamer van de narcist. O nee, maak u daar vooral geen zorgen over en bovenal geen illusies in (contaminatieel gezien kan het, sprak de linguïst, de taalpurist brauwde de wenkfronsen). Net zo min treft men hoestbonbons aan in het nachtkastje der Vlaamse charmezangers en nog eerder vindt men een cursus taalzuivering in de wat ruim uitgevallen handtas van een Vlaams parlementslid. Maar laat ons niet op de zaken vooruit lopen en het gebeuren weergeven zoals het zich ontspon en in die januskop van mij zal blijven ontspinnen telkens ik nog maar terug zal denken aan het waterzonnetje aan de einder, die dag, die ochtend, of aan de langzaam doordruppelende koffie. Een traag meditatief proces waarbij de tijd gemengd met gemalen koffiebonen, zorgvuldig door een multinational geselecteerd, mijn rode thermos indruppelt. (De groene was tijdelijk niet beschikbaar, doch dit alles tussen haakjes.) Naar het schijnt… maar dat zou ons al te ver van onze zaak, ons verhaal brengen. Ja, u leest het goed, ‘ons’ verhaal, want door deze letters op te slorpen, ontketent u ze wederom, laat ze weer tot leven komen en beleeft u, o vermetele, alles hernieuw – net zoals ik alles opnieuw dien te beleven telkens een van u dit alfabijt –wanneer u deze syllaben van het blad plukt. Wel dan. Het was die bewuste zaterdagmorgen. Een vlinder steeg op vanuit mijn buik net voor ik wakker werd. Toen ik mijn ogen voorzichtig opende en de resten der nacht er handmatig uit verwijderde, zag ik de ex-rups nerveus tegen het plafond tekeer gaan. Het tweeloopsjachtgeweer dat ik daags te voren in huis gehaald had, ten einde dat veilige gevoel de ganse maand door te vrijwaren, kon me best wel ‘es van pas komen. *wazig beeld*